Pesten op zomerkamp: vergeten setting?

We besteden veel aandacht aan pesten op school, en terecht. Maar pesten stopt niet aan de schoolpoort. Daarom bestudeerde Tari Buytaert in het kader van de cursus Methoden van Psychologisch Onderzoek 1 de literatuur met de bedoeling wetenschappelijk onderbouwde tips aan te reiken aan organisaties die met deze problematiek te maken krijgen bij het organiseren van bijvoorbeeld zomerkampen voor de jeugd.

Inleiding

Uit recente cijfers uit een onderzoek van de uGent, waarbij 9566 leerlingen werden bevraagd van het vijfde leerjaar basisonderwijs tot en met het 6de middelbaar, blijkt dat het aantal pesters is gedaald in tegenstelling tot de slachtoffers die zwaar gepest worden. (Vancaeneghem, 2016)

Dat cijfer blijft nog altijd even hoog. Daarom is het nog steeds belangrijk dat er verder onderzoek wordt gedaan naar pesten en zijn gevolgen om ervoor te zorgen dat de cijfers blijven dalen.

Pesten wordt herkend als een sociaal probleem. Het is een groepsproces waarbij kinderen actief kunnen worden betrokken als slachtoffer of pester zelf. Kinderen kunnen passief betrokken zijn door het bieden van steun aan de pesters (Evans, Fraser, & Cotter, 2014). Pesten bestaat uit een direct en indirect agressief gedrag en nog vier andere verschillende soorten vormen hoe pesten zich kan voordoen, namelijk: op fysiek vlak, verbaal, relationeel en de materiële schade. Van deze vier factoren komt verbaal pestgedrag het meeste voor. (Gladden, Vivolo-Kantor, Hamburger, & Lumpkin, 2014).  Onderzoek heeft ook aangetoond dat pesten vaak gebeurt binnen het kader van een machtsongelijkheid tussen de dader en het slachtoffer. De dader heeft vaak een hogere status (Garandeau, Lee, & Salmivalli, 2014). Daardoor wordt hij sociaal invloedrijker en wordt hij ook vaak gezien, of is hij effectief, groter en sterker (Leff, Waasdorp, 2013).

Het is verder ook belangrijk om te weten welke signalen pesten voorafgaan om zo de pestgedragingen te kunnen voorkomen. Pesten doet zich namelijk niet alleen voor op school maar ook op zomerkampen. Kazou is een grote vrijwilligersorganisatie afkomstig van de Christelijke Mutualiteit. Kazou organiseert kampen, voor zowel in de winter als in de zomer, voor kinderen vanaf 7 tot en met 18 jaar (www.kazou.be).

Op die manier kan er preventie gericht gehandeld worden aangezien een zomerkamp van Kazou van korte duur is. Deze literatuurstudie geeft een antwoord op de vraag welke concrete acties Kazou als vrijwilligersorganisatie kan, ondernemen in de preventie van pestgedrag op hun vakanties.

Methode

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden werd er een literatuuronderzoek gedaan. De zoekopdracht die werd ingegeven in de databank Limo was: Prevention AND bullying. Hierbij werden er 2617 artikels gevonden. De zoekopdracht werd verder afgebakend door te specifiëren op onlinebronnen die peer-reviewed waren. Hierbij werden er 2131 artikels gevonden. Ondanks de specificering bleef het aantal gevonden artikels groot. Er werd niet gespecifieerd naar de zoekterm: prevention AND bullying AND summercamp omdat dit te weinig resulteerde in bruikbare artikels en die bovendien niet voldeden aan de onderstaande criteria.

De artikels werden verder beoordeeld op criteria. Ten eerste moest het een wetenschappelijk artikel zijn met een wetenschappelijke opbouw. Ten tweede moesten de artikels gaan over de doelgroep van het onderzoek, namelijk: kinderen en jongeren omdat Kazou zich richt tot deze doelgroep. Alle artikels die betrekking hadden op pesten bij volwassenen werden niet gebruikt. Zo werden er 8 artikels weerhouden die voldoen aan de bovenstaande criteria en werden gebruikt in dit literatuuronderzoek.

Resultaten

Voor monitoren op een zomerkamp is het heel belangrijk om te weten hoe pesten kan worden voorkomen. Een kazou kamp is van een korte duur en de meeste kinderen kennen elkaar nog niet. Om te voorkomen dat pestgedrag zich voordoet in de groep, is het essentieel om te weten wat de monitoren daar juist voor kunnen doen. De acties worden in dit resultatendeel verder besproken. In het eerste deel van de resultaten worden de belangrijkste elementen uit een preventieprogramma besproken. In het tweede deel van de resultaten wordt er verder aandacht bestaat aan hoe de monitoren pesten verder kunnen voorkomen aan de hand van het klimaat.

Belangrijke onderdelen voor een preventieprogramma

Het is belangrijk om als monitor van een kamp te weten wat pesten juist inhoud. Het kennen van een definitie die pesten omschrijft, is enorm belangrijk om te voorkomen dat er verschillende opvattingen zijn van wat pesten juist is en kunnen alle gedragingen over de juiste lijn worden getrokken. Anders gaan de kinderen niet altijd hun gedrag als pesten zien.  Dat blijkt uit een onderzoek rond de inhoud van preventieprogramma’s.

Maar er zijn veel meer factoren die hierbij belangrijk zijn. Uit het onderzoek van Evans et al. (2014) blijkt dat een aanpak die ook gericht is naar cultuur een goede effectiviteit bezit. Daar bovenop is het van belang dat alle vormen van pesten worden geïntegreerd in het programma. Wanneer deze onderdelen in een programma worden gestopt, zijn de resultaten om pesten te voorkomen effectief.

Leff et al. (2013) hebben verder onderzoek gedaan naar wat een preventieprogramma juist goed maakt en welke de beste oefenprogramma’s zijn. De onderzoekers beweren dat de beste preventieprogramma’s een sociale cognitieve training bevatten dat jongeren helpt om beter te interpreteren. Dat zorgt ervoor dat de kinderen zich vooral pro sociaal gaan gedragen. Daarbovenop vonden de onderzoekers dat preventieprogramma’s die multifactorieel zijn en trainingen bevatten die autoriteiten het toezicht tijdens de pauzes verhoogt, het beste zijn om pesten te verminderen. Een ander belangrijk kenmerk is dat programma’s die uitgevoerd zijn over een langere intensere periode, het meest effectief zijn.

Het klimaat verbeteren

Om pesten te kunnen voorkomen op het Kazoukamp is het belangrijk dat de monitoren weten wat het klimaat inhoudt. Er werd enorm veel informatie gezocht over het klimaat. Deze informatie heeft vooral betrekking op de schoolse context. Maar wat niet wilt zeggen dat dat niet toepasbaar is op het klimaat op een kamp.

Het klimaat is een belangrijke factor volgens Wang, Susan, en Swearer (2013) hun onderzoek heeft aangetoond dat er een negatieve correlatie is tussen een positief klimaat en pesten.

Het schoolklimaat wordt hierbij gedefinieerd als de kwaliteit en het karakter van het schoolgaan. Dat is gebaseerd op patronen van studenten, ouders en het personeel van het leven op school en reflecteren daarbij de normen, doelen, leren, persoonlijke relaties, waarden, organisatiestructuren en praktijk.

Het klimaat heeft verschillende dimensies, die zijn uitgekomen door het onderzoek door Bosworth en Judkins (2014).

De eerste dimensie gaat over de structuur en ondersteuning deze houdt in dat wanneer autoriteiten een discipline gaat inplannen over alle leerlingen dan zal dat ervoor zorgen dat de structuur wordt bevorderd en dat de studenten een betere ondersteuning hebben.

De tweede dimensie gaat over de relaties. Deze dimensie betrekt de goede en positieve relaties tussen een volwassene en leerling zijn heel belangrijke componenten als je een klimaat wil zonder agressie. Leerlingen die de volwassenen als onvriendelijk gaan beschouwen en niet als een ondersteuning zien, gaan veel minder snel de regels volgen die hen worden opgelegd.

De laatste dimensie heeft betrekking tot de normen en beleidsmaatregelen. Deze dimensie vertelt dat normen en beleidsmaatregelen zullen zorgen voor een betere en positievere ondersteuning naar studenten toe. Dat kan ertoe leiden dat er een anti-pestklimaat zal optreden.

Niet enkel deze dimensies kunnen handig zijn maar eveneens hebben Bosworth et al. (2014) uit het onderzoek gevonden dat het straffen van pestgedragingen geen oplossing is. Dat gaat er enkel voor zorgen dat het gedrag in het geheim zal gebeuren.

Daar steunt het SWPBIS (school-wide positive behavioral interventions and support) op. Deze theorie is vooral geworteld vanuit het behaviorisme, het sociaal-leren en de systemen die zich richten op het consequent versterken van positief gedrag. Deze positieve benadering gaat het gedrag gaan veranderen zonder dat er gestraft wordt. Dat gaat ervoor zorgen dat de sociale aandacht en de positieve interactie tussen student en volwassene gaat versterken wat verder zal resulteren in een positiever klimaat.
SWPBIS gaat positief gedrag erkennen. Deze worden versterkt via de operante conditionering (belonen bij goed gedrag). Wanneer volwassenen hier gebruik van maken, dan zal dat ervoor zorgen dat het positief gedrag nog zal voorkomen. Het is hierbij enorm belangrijk dat de volwassene het gedrag van die persoon verbaal gaat linken met een bepaalde verwachting (Bosworth et al. 2014).

Wang et al. (2013) stellen dat er kan enkel een positief klimaat worden gevormd wanneer iedereen samenwerkt. Om ervoor te zorgen dat positief gedrag nog voorkomt, is het nodig om het positieve gedrag te gaan promoten i.p.v. pesten te gaan straffen of het gaan negeren.
Natuurlijk is enkel het klimaat verbeteren niet voldoende om ervoor te zorgen dat pesten niet meer zal voorvallen. Maar wanneer er een positief klimaat wordt opgebouwd, dan is de kans al veel kleiner dat pesten voorkomt

Binnen het klimaat hoort ten eerste ook de hiërarchie in de groep. Aangezien de kinderen elkaar nog niet kennen vooraleer ze op kamp vertrekken, is het belangrijk om als monitor een gelijke hiërarchie te creëren in de groep. De statushiërarchie is volgens Garandeau et al. (2014) een doordringend fenomeen dat effecten heeft op het individu. De status van een individu is altijd ten opzichte van een groep. Hierbij wordt de statusongelijkheid in verband gebracht met pesten of ander agressief gedrag.  Uit hun onderzoek is gebleken dat er geen verschil is tussen jongensgroepen en meisjesgroepen in het verband met de statushiërarchie. De ongelijkheid van hiërarchie kan schadelijk zijn want pesten wordt vergemakkelijkt in een machtspositie. Pesters hebben dan vaak een hogere rang dan slachtoffers. Dat zorgt ervoor dat een hogere hiërarchie het pesten bevordert en dat pesten een hogere hiërarchie bevordert.  
Om ervoor te zorgen er een gelijke statushiërarchie is, is het belangrijk dat er aandacht wordt gegeven aan de statussen binnenin een groep en dat de groepen niet te klein zijn. Wanneer de groepen groot zijn, is de kans groter dat de kinderen makkelijker vriendjes vinden. Het is belangrijk om als volwassene goed in te spelen op deze hiërarchieën. Zij hebben een grote invloed hierop en kunnen ervoor zorgen dat er gelijkheid wordt verwezenlijkt en dat er goede sociale relaties ontstaan. Maar dat vergt inspanning. 

Het tweede onderdeel bij het klimaat zijn de pauzes. Een pauze is de tijd waarin de kinderen even vrij zijn en kunnen doen wat ze willen. Onderzoekers hebben hierbij aangetoond dat het een plek is waarbij de kinderen hunzelf ontplooien. Hierbij worden de kinderen hun sociale competenties gepromoot. En daarbovenop sociale vaardigheden opdoen en uitproberen die de kinderen op andere momenten niet zouden kunnen doen/proberen. Ook geeft het een kans om diverse fysieke activiteiten uit te proberen om zo de grove en fijne motoriek te stimuleren.  Maar tijdens deze vrije tijd kan pesten zich verder ontwikkelen…  

Het is belangrijk dat er in de pauze voldoende orde en discipline wordt gecreëerd, dat er gerespecteerd wordt en dat de relatie tussen de autoriteiten en de kinderen positief is.

Onderzoek toont aan dat het gedrag van de kinderen kan worden beïnvloed wanneer er geschikte activiteiten worden georganiseerd voor verschillende leeftijden en verschillende geslachten. Wanneer er hierbij een volwassene aanwezig is, die zelf mee participeert bij deze activiteiten, dan zal de kans op pestgedragingen dalen (Leff, Power, Costigan, & Manz, 2003).
Het derde punt bij een goed positief klimaat is dat de autoriteit inspeelt op het klimaat om het zo te verbeteren. Volgens Roth, Kanat-Maymon en Bibi (2010) is het belangrijk om als autoriteit regels te gaan beschrijven en inlassen die tegen pesten zijn. Wanneer de autoriteit meer tijdens de pauzes gebruik gaat maken van lof & minder sancties dan zal hierdoor een gecontroleerde sociale context ontstaan. Er moet rekening mee gehouden worden dat er geen te controlerende context ontstaat. Dat gaat ervoor zorgen dat het kind onder druk komt te staan en het gevoel heeft dat hij gestuurd wordt in een bepaalde richting van voelen, denken en gedragen. Wanneer kinderen onder druk komen te staan, dan zullen ze zich gemakkelijker gaan keren tegen de regels of autoriteiten. Uit de resultaten van het onderzoek bleek dat wanneer autoriteiten perspectief innamen van de kinderen, dan zorgde dat ervoor dat de kinderen zelf pestgedragingen gingen rapporteren om zo andere kinderen te kunnen helpen.

Voor leerkrachten is het niet altijd gemakkelijk om perspectief te gaan innemen van kinderen die iets fout hebben gedaan zoals pesten, niet altijd even gemakkelijk. Maar het is wel aan te raden.

Uit de bevindingen van het onderzoek van Albayrak, Yıldız en Erol (2016) blijkt dat pesten zich vooral voordoet op locaties waar geen autoriteit aanwezig is bijvoorbeeld in de toiletten. Autoriteiten moeten er dus voor proberen zorgen dat er overal toezicht is. Daarnaast zagen Leff et al. (2013) dat wanneer de interactie tussen de autoriteit en het kind positief is dat pesten zich minder voordoet. Daar moeten autoriteiten zeker rekening mee houden en proberen om vanaf dag één een goede interactie en band te scheppen met de kinderen.

Uit dit resultatendeel kunnen we dus besluiten dat het belangrijk is dat preventieprogramma’s zeker enkele elementen bevatten die voor de effectiviteit zorgen van een preventieprogramma. Om ervoor te zorgen dat pesten wordt voorkomen op een zomerkamp, is het belangrijk dat de autoriteiten ervoor zorgen dat er een positief klimaat wordt gecreëerd vanaf dag één. Dat kunnen ze doen op basis van de verschillende dimensies van het klimaat, de pauzes, de hiërarchie in de groep, regels die de autoriteit oplegt, zijn aanwezigheid en invloed.

Discussie

De onderzoeksvraag voor deze paper was: “Welke concrete acties kan Kazou, als vrijwilligersorganisatie, ondernemen in de preventie van pestgedrag op hun vakanties?”

De resultaten van deze literatuurstudie wijzen erop dat een positief klimaat een belangrijke factor is in de preventie tegen pesten. Een goed klimaat kan enkel worden gevormd wanneer iedereen samenwerkt (Wang et al. 2013). Het klimaat bestaat hierbij uit verschillende dimensies waaruit Kazou kan vertrekken om pesten te gaan preveniëren door bijvoorbeeld verschillende structuren aan te brengen en een goede ondersteuning te creëren voor de kinderen (Bosworth et al. 2014). Het is enorm belangrijk dat er een goede positieve interactie is tussen de monitor en het kind om ervoor te zorgen dat pesten zich niet voordoet (Leff et al. 2013).  Een goede interactie en een goede relatie tussen de volwassene en het kind kan zorgen voor een goed klimaat. Hierbij is het belangrijk als monitor om goed in te spelen en een echte band te creëren met de kinderen. Dit kunnen de monitoren doen door geen afstand tussen kind en monitor te maken door hun gedrag, omdat de monitor zogezegd ‘hoger’ zou staan.
Niet enkel een goede interactie is goed voor een positief klimaat. Het is belangrijk dat de monitoren vanaf dag één ervoor proberen zorgen dat er een gelijke statushiërarchie wordt gecreëerd in de groep. De monitoren kunnen voor een gelijke statushiërarchie zorgen door er extra aandacht aan te geven en ervoor te zorgen dat de groepen niet te klein zijn. Daarbovenop is het ook belangrijk dat de monitoren inspelen op situaties waarbij er zich een status-ongelijkheid voordoet (Garandeau et al. 2014). Hierbij moet de monitor ervoor zorgen dat de pestgedragingen niet echt worden afgestraft want dat gaat er enkel voor zorgen dat het pestgedrag zich in het geheim zal beginnen voordoen. Daarom moeten de monitoren goed gedrag gaan promoten (Wang et al. 2013). Dat kunnen de monitoren doen aan de hand van het SWPBIS dat op dat principe steunt (Bosworth et al. 2014). In de praktijk kunnen de monitoren dit programma toepassen tijdens de pauzes wanneer de kinderen vrij zijn. Het is belangrijk dat er wel regels worden gesteld en ingelast die tegen pesten zijn. Wanneer er zich dan toch een voorval voordoet, moet de monitor proberen om vanuit het kind zijn standpunt te gaan kijken om het zo te proberen begrijpen waarom het kind dat bepaalde gedrag stelde. Dit moet zowel bij de pester als bij het slachtoffer gedaan worden (Roth et al. 2010). Tijdens de vrije tijd kunnen monitoren ervoor proberen zorgen dat er activiteiten worden georganiseerd specifiek voor een bepaalde leeftijd of geslacht. Wanneer de monitoren hierbij meespelen zal de kans op pestgedragingen dalen (Leff et al. 2003).

Kazou moet er rekening mee houden dat er overal toezicht is. Op plaatsen waar geen toezicht is, zal pesten zich meer voordoen (Albayrak et al. 2016).
Er zijn al heel wat preventieprogramma’s opgericht tegen pesten. Een goed preventieprogramma zoeken voor op een kamp van Kazou is niet al te gemakkelijk. Dat komt omdat de meeste preventieprogramma’s van langere duur zijn en pas effectief zijn als het over een langere periode gaat. Aangezien Kazou kampen vaak maar één à twee weken duren, is een bestaand preventieprogramma gebruiken niet echt een goed idee. Kazou kan wel gebruik maken van een belangrijke factor van preventieprogramma’s. Dat is dat er een definitie wordt gegeven van pesten zodat de kinderen duidelijk en concreet weten wat pesten is, anders gaan de kinderen hun gedrag niet direct aan pesten linken (Evans et al. 2014; Leff et al. 2013).  

Beperkingen en bemerkingen in dit literatuuronderzoek zijn dat er vooral werd gekeken vanuit het klimaat. Het literatuuronderzoek is vooral gefocust op de preventie van pesten aan de hand van het klimaat en dat is slechts een klein deel van de vele dingen die Kazou kan doen om pesten te voorkomen. Op die manier zijn de resultaten en het antwoord op de onderzoeksvraag vooral gericht op één domein. Wat bovendien een beperking was in dit literatuuronderzoek was dat er vooral studies werden gevonden die gericht waren op de schoolse omgeving. Er werden geen studies gevonden die echt al onderzoek hadden gedaan naar een omgeving waar kinderen zich maximum twee weken bevinden. Ten laatste werden er enkel Engelstalige studies gevonden en geen studies van hier in de buurt.

Suggesties naar volgend onderzoek zijn dan ook dat er naar andere domeinen moet worden gekeken om pesten te voorkomen en niet enkel naar het klimaat. Er zijn nog veel andere domeinen en factoren die meer inzicht kunnen geven zoals de economische status (Albayrak et al. 2016), het verschil in etniciteit, verschil tussen leeftijdscategorieën… Dit zijn allemaal andere domeinen waarop Kazou zich ook zou kunnen baseren bij de preventie van pesten.

Verder onderzoek zou tevens verder moeten gaan kijken naar het kind zelf (bijvoorbeeld zijn gedrag, gedragsproblemen…) en niet enkel naar de omgevingsfactoren. Dit omdat enkel pesten voorkomen aan de hand van het klimaat, niet voldoende zal zijn om pesten te voorkomen (Wang et al. 2013).

Toch geeft dit onderzoek een mooi overzicht weer over hoe Kazou pesten al kan gaan preveniëren aan de hand van het klimaat. Het is belangrijk dat de monitoren ergens een begin hebben aan een lange weg om ervoor te zorgen dat pesten niet meer voorkomt! Een duwtje in de rug kan daar een enorme steun zijn, daarvoor is dit literatuuronderzoek gedaan.

Referentielijst

Albayrak, S., Biçer, S., & Aşık, E. (2014). The impact of the adolescent-parent relationship on    
    peer victimization. The Journal of MacroTrends in Health and Medicine, 2(1), 1-9. Retrieved
    from: http://macrojournals.com/yahoo_site_admin/assets/docs/1HM21S.9371359.pdf

Albayrak, S., Yıldız, A., & Erol, S. (2016). Children and Youth Services Review :Assessing the
    effect of school bullying prevention programs on reducing bullying. Sciencedirect, 63, 1-9.
    Retrieved from: http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0190740916300287  

Bosworth, K., Judkins, M. (2014). Tapping into the power of school climate to prevent
    bullying:One application of schoolwide positive behavior interventions and supports. Theory
    Into Practice, 53(4),
300-307. doi:10.1080/00405841.2014.947224

    Evans, C.B.R., Fraser, M.W., & Cotter, K.L. (2014). The effectiveness of school-based bullying
        prevention programs: A systematic review. Aggression and violent behavior, 19(5), 532-544.
        Retrieved from
          http://www.sciencedirect.com.am.thomasmore.ezproxy.kuleuven.be/science/article/pii
        /S1359178914000743

Garandeau, C., Lee, I., & Salmivalli, C. (2014). Inequality Matters: Classroom Status Hierarchy
        and Adolescents’ Bullying. Journal of Youth and Adolescence, 43(7), 1123-1133. doi
        10.1007/s10964-013-0040-4

Gladden, R.M., Vivolo-Kantor, A.M., Hamburger, M.E., & Lumpkin, C.D. Bullying Surveillance
    Among Youths: Uniform Definitions for Public Health and Recommended Data Elements,
    Version 1.0. Atlanta, GA; National Center for Injury Prevention and Control, Centers for
    Disease Control and Prevention and U.S. Department of Education; 2014.

Leff, S. S., & Waasdorp, T. (2013). Effect of Aggression and Bullying on Children and
    Adolescents: Implications for Prevention and Intervention. Curr Psychiatry Rep,15, 1-10. 
    doi:10.1007/s11920-012-0343

Leff, S. S, Power, T. J., Costigan, T. E., & Manz, P. H. (2003). Assessing the Climate of the
    Playground and Lunchroom: Implications for Bullying Prevention Programming. School
    Psychology Review, 32(3),
418-430. Retrieved from:
    http://web.b.ebscohost.com.am.thomasmore.ezproxy.kuleuven.be/ehost/detail/detail?sid=
    90c41f5c-7add-4c2e-9312-076eeec72610%40sessionmgr104&vid=1&hid=118&bdata
    =JnNpdGU9ZWhvc3QtbGl2ZQ%3d%3d#AN=11213481&db=a9h

Roth, G., Kanat-Maymon, Y., & Bibi, U. (2010). Prevention of school bullying: The important role
    of autonomy-supportive teaching and internalization of pro-social values. British Journal of
    Educational Psychology, 81(4),
654-666. doi: 10.1348/2044-8279.002003 

Wang, C., Susan, B., & Swearer, M. (2013). The Critical Role of School Climate in Effective
    Bullying Prevention. Theory Into Practice, 52(4), 296–302.
    doi:10.1080/00405841.2013.829735

Vancaeneghem, J. (2016, 11 januari). Minder jongeren gepest op school. De Standaard,
    
retrieved from  http://www.standaard.be/cnt/dmf20160111_02060286

Interessante berichten

Techneut of technofoob?

Attitudes ten aanzien van technologiegebruik in kaart brengen bij cliënt en professional. Er worden steeds meer apps, websites en andere…

Lees meer

Waarom het zo belangrijk is om tijd en geld te steken in het verwelkomen van nieuwe medewerkers.

In het kader van de cursus Methoden van Psychologisch Onderzoek 1 hield Hanne Peeters zich bezig met de vraag wat…

Lees meer